SHL numerieke test: opbouw, oefenvragen en tips

In de numerieke test van SHL (vaak SHL Verify Numerical Reasoning) krijg je tabellen en grafieken waaruit je binnen ongeveer een minuut per vraag percentages, verhoudingen, gemiddelden en prognoses moet halen. Het rekenwerk is middelbareschoolniveau, maar de foute antwoordopties zijn precies de uitkomsten van de meest gemaakte fouten. Hieronder lees je hoe de test is opgebouwd, oefen je met acht vragen met volledige uitwerking en krijg je een plan voor de week voor je test.

Waar kom je de SHL numerieke test tegen?

SHL is een van de grootste aanbieders van capaciteitentests ter wereld. De numerieke test wordt gebruikt bij accountantskantoren, banken, verzekeraars, consultancy, FMCG-bedrijven en in veel traineeships. Je krijgt hem meestal vlak na je online sollicitatie, vaak samen met een verbale of abstracte test. Moet je ook de abstracte test maken, lees dan ook onze gids over abstract redeneren voor SHL-tests.

Opbouw van de test

Kenmerk Gebruikelijke waarde
Aantal vragen meestal 18 tot 25
Tijd 17 tot 35 minuten, afhankelijk van de versie, vaak rond 25 minuten
Gegevens tabellen, staafdiagrammen, lijngrafieken, cirkeldiagrammen
Antwoorden 4 of 5 opties, in de interactieve versie soms slepen of invullen
Rekenmachine meestal toegestaan, vaak op het scherm
Score percentiel ten opzichte van een normgroep

Dit zijn richtwaarden: de werkgever kiest de versie en de instructie is leidend. In de klassieke versie hoort bij elke vraag een eigen dataset, dus je hoeft niets te onthouden tussen vragen. In de nieuwere interactieve versie sleep je soms waarden naar de juiste plek of vul je een grafiek aan; de vaardigheden die gemeten worden zijn hetzelfde.

Sommige werkgevers laten je later in het proces een korte controletest onder toezicht maken, om te zien of je online score klopt. Nog een reden om de eerste test zelf en goed voorbereid te maken.

Wat SHL je laat uitrekenen

  • Procentuele verandering tussen maanden, kwartalen of jaren.
  • Aandelen en procentpunten: hoe groot is een onderdeel van het totaal, en hoe verschuift dat?
  • Kengetallen per eenheid: kosten per levering, klachten per 1.000 orders.
  • Gewogen gemiddelden: gemiddelde kosten over locaties met verschillende volumes.
  • Prognoses: wat gebeurt er als een groei doorzet?
  • Terugrekenen vanaf een doel: hoeveel moet er veranderen om een norm te halen?

Procentvragen komen het vaakst voor. Ben je daar wat roestig in, lees dan eerst onze uitleg over procentvragen in aptitude tests. Voor snel werken met grote tabellen is tabelanalyse-vragen een goede aanvulling.

Uitgewerkt voorbeeld: procent of procentpunt?

Vraag: "Het aandeel van depot Utrecht in alle bezorgingen ging van 42,7 % in januari naar 46,8 % in maart. Hoeveel is het aandeel gestegen?"

  1. Lees wat er gevraagd wordt. Staat er "procentpunt", dan trek je de aandelen van elkaar af. Staat er "procent", dan reken je een relatieve verandering uit.
  2. Procentpunten. 46,8 − 42,7 = 4,1 procentpunt.
  3. Procent. (46,8 − 42,7) / 42,7 = 4,1 / 42,7 = 0,096, dus ongeveer 9,6 %.
  4. Kies bewust. Beide getallen kunnen tussen de antwoordopties staan. Het verschil zit in één woord in de vraag.

Dit onderscheid kost in SHL-tests meer punten dan welk rekenwerk ook. (In vraag 6 hieronder reken je met onafgeronde aandelen, daarom komt daar 4,2 procentpunt uit.)

8 oefenvragen in SHL-stijl

Alle vragen gaan over de cijfers van een pakketbezorger met drie depots. De moeilijkheid loopt op. Zet een timer op 10 minuten.

Tabel 1: aantal bezorgingen (× 1.000)

Depot jan feb mrt
Utrecht 64 72 81
Eindhoven 50 45 54
Zwolle 36 40 38

Tabel 2: gegevens maart per depot

Depot Kosten per bezorging Aantal klachten
Utrecht € 3,50 324
Eindhoven € 4,20 270
Zwolle € 4,50 171

Vraag 1

Hoeveel bezorgingen deden de drie depots samen in maart?

A) 157.000 B) 165.000 C) 173.000 D) 181.000

Antwoord: C. 81 + 54 + 38 = 173 duizend. 157.000 is het totaal van februari (72 + 45 + 40).

Vraag 2

Met hoeveel procent steeg het aantal bezorgingen van Eindhoven van februari naar maart?

A) 8 % B) 16,7 % C) 18 % D) 20 %

Antwoord: D. (54 − 45) / 45 = 9 / 45 = 0,20, dus 20 %. Optie B krijg je als je door de nieuwe waarde deelt (9 / 54), optie A als je januari met maart vergelijkt ((54 − 50) / 50).

Vraag 3

Welk depot had in maart de minste klachten per 1.000 bezorgingen?

A) Utrecht B) Eindhoven C) Zwolle D) Alle drie gelijk

Antwoord: A. Utrecht: 324 / 81 = 4,0; Eindhoven: 270 / 54 = 5,0; Zwolle: 171 / 38 = 4,5. Utrecht heeft de meeste klachten in absolute aantallen, maar per 1.000 bezorgingen de minste.

Vraag 4

Wat waren de totale bezorgkosten van de drie depots in maart?

A) € 653.400 B) € 681.300 C) € 700.600 D) € 709.500

Antwoord: B. Utrecht: 81.000 × 3,50 = € 283.500; Eindhoven: 54.000 × 4,20 = € 226.800; Zwolle: 38.000 × 4,50 = € 171.000. Samen € 681.300.

Vraag 5

Wat waren in maart de gemiddelde kosten per bezorging over alle depots samen?

A) € 3,94 B) € 4,07 C) € 4,10 D) € 3,80

Antwoord: A. Je hebt een gewogen gemiddelde nodig: € 681.300 / 173.000 = € 3,938, afgerond € 3,94. Optie B is het gewone gemiddelde van de drie tarieven ((3,50 + 4,20 + 4,50) / 3 = 4,067), dat geen rekening houdt met het grote volume van het goedkope depot Utrecht.

Vraag 6

Met hoeveel procentpunt veranderde het aandeel van Utrecht in het totaal aantal bezorgingen van januari naar maart?

A) +2,9 procentpunt B) +4,2 procentpunt C) +9,7 procentpunt D) +26,6 procentpunt

Antwoord: B. Totaal januari: 64 + 50 + 36 = 150 duizend. Aandeel januari: 64 / 150 = 42,67 %. Aandeel maart: 81 / 173 = 46,82 %. Verschil: 46,82 − 42,67 = 4,15, afgerond 4,2 procentpunt. Optie D is de groei van Utrecht zelf ((81 − 64) / 64 = 26,6 %).

Vraag 7

De bezorgingen in Utrecht groeiden van januari tot maart elke maand met hetzelfde percentage. Hoeveel bezorgingen verwacht je in april als die groei doorzet, afgerond op honderdtallen?

A) 89.100 B) 90.000 C) 91.100 D) 92.500

Antwoord: C. Groei: 72 / 64 = 1,125 en 81 / 72 = 1,125, dus elke maand 12,5 %. April: 81.000 × 1,125 = 91.125, afgerond 91.100. Optie B krijg je als je de laatste absolute stijging van 9.000 opnieuw optelt.

Vraag 8

Zwolle wil in een volgende maand met hetzelfde kostenbudget als in maart (€ 171.000) de kosten per bezorging verlagen naar het niveau van Utrecht (€ 3,50). Met hoeveel procent moet het aantal bezorgingen in Zwolle dan stijgen ten opzichte van maart?

A) 22,2 % B) 25,0 % C) 28,6 % D) 30,0 %

Antwoord: C. Benodigd aantal: 171.000 / 3,50 = 48.857 bezorgingen. Stijging: (48.857 − 38.000) / 38.000 = 0,2857, dus 28,6 %. Sneller: bij een gelijk budget moet het volume met de factor 4,50 / 3,50 = 1,2857 omhoog. Optie A is de daling van het tarief zelf ((4,50 − 3,50) / 4,50 = 22,2 %), niet de benodigde volumestijging.

Valkuilen in de SHL numerieke test

De verkeerde basis. Bij een procentuele verandering deel je altijd door de beginwaarde. De optie met de eindwaarde als basis staat er vrijwel altijd tussen.

Procent en procentpunt door elkaar halen. Zie het uitgewerkte voorbeeld. Lees het laatste woord van de vraag twee keer.

Gewoon gemiddelde in plaats van gewogen gemiddelde. Zodra de volumes verschillen, klopt het gemiddelde van de tarieven niet (vraag 5).

Absolute en relatieve cijfers verwarren. Het depot met de meeste klachten is niet per se het depot met de meeste klachten per 1.000 bezorgingen (vraag 3).

Eenheden in de kop van de tabel missen. "× 1.000" betekent dat 81 eigenlijk 81.000 is. In de antwoordopties staat de onjuiste factor vaak klaar.

Te vroeg afronden. Rond tussenuitkomsten pas aan het eind af, vooral als de opties dicht bij elkaar liggen.

Meer voorbeelden lees je in veelgemaakte numerieke redeneerfouten.

Zo verdeel je je tijd

Met ongeveer 25 minuten voor 18 vragen heb je zo'n 80 seconden per vraag. Dat voelt ruim, tot je een vraag in meerdere stappen krijgt zoals vraag 8.

  • Lees eerst de vraag, dan de tabel. Dan weet je welke rij en kolom je nodig hebt en negeer je de rest.
  • Schat voordat je rekent. Een gemiddelde van meerdere tarieven ligt altijd tussen het laagste en het hoogste tarief. Een aandeel kan nooit boven 100 % uitkomen. Zo vallen vaak al twee opties af.
  • Schrijf tussenuitkomsten op. Met kladpapier hoef je € 681.300 niet twee keer uit te rekenen.
  • Stel een grens. Ben je na twee minuten nog niet klaar, kies dan het meest waarschijnlijke antwoord en ga door. Alles invullen levert meer op dan vragen openlaten.

Last van stress als de klok loopt? Lees dan onze tips over tijdsdruk in numerieke tests.

Oefenplan voor 7 dagen

Dag Focus Tijd
1 Procentuele verandering, groeifactoren, verhoudingstabel zonder rekenmachine 30 min
2 Aandelen, procentpunten, kengetallen per eenheid 30 min
3 Gewogen gemiddelden en terugrekenen vanaf een doel 40 min
4 Eerste volledige oefentest op tijd 30 min + nakijken
5 Foutenanalyse: elke foute of te trage vraag opnieuw uitwerken 40 min
6 Tweede volledige test, doel: binnen je tijdsbudget blijven 30 min
7 Formules kort doornemen, rekenmachine en internet checken, rust 15 min

Schrijf bij elke fout de oorzaak op: aflezen, basis, eenheid, afronding of tijd. Na twee of drie tests zie je precies waar je punten verliest. Krijg je bij een andere werkgever een test van Aon (cut-e), lees dan onze gids over numeriek redeneren in Aon-tests; dat format werkt merkbaar anders.

Oefenen met realistische SHL-achtige tests en uitwerkingen kan via de SHL-oefentests en de numerieke redeneertest van Assessment-Training.com.

Veelgestelde vragen

Zijn SHL numerieke tests adaptief?

Sommige versies wel: de moeilijkheid van de volgende vraag hangt af van je eerdere antwoorden. Andere versies geven iedere kandidaat dezelfde vragen. In de uitnodiging of de instructie staat meestal welke vorm je krijgt.

Mag ik een rekenmachine gebruiken in SHL numerieke tests?

Bij de meeste versies wel, vaak is er een rekenmachine op het scherm. Sommige versies vragen je zonder rekenmachine te werken. Lees de instructie altijd voordat je begint en leg voor de zekerheid een eenvoudige rekenmachine klaar.

Hoe wordt de SHL numerieke test gescoord?

SHL vergelijkt je ruwe score met een normgroep, bijvoorbeeld hbo- en wo-afgestudeerden, en rapporteert een percentiel. Het 70e percentiel betekent dat je beter scoorde dan 70 procent van die groep. De werkgever bepaalt zelf de ondergrens.

Hoe lang duurt de SHL numerieke test?

Afhankelijk van de versie krijg je meestal 18 tot 25 vragen in 17 tot 35 minuten. Een veelgebruikte Verify-versie geeft ongeveer 25 minuten voor 18 vragen, dus iets meer dan een minuut per vraag. De exacte tijd staat in de instructie.

Wat gebeurt er als mijn tijd op is?

Onbeantwoorde vragen tellen als fout. Een fout antwoord kost meestal niet meer punten dan een lege vraag, dus kies bij tijdgebrek liever voor elke resterende vraag een antwoord dan dat je ze openlaat.

Bereid je voor met Assessment-Training.com

Begin vandaag met oefenen