Probeer het probleem te vereenvoudigen
Als je met een moeilijke vergelijking te maken hebt, is een van de basisinstructies om te kijken of het probleem in kleinere stukjes kan worden verdeeld.
Voorbeeld:
23 x 5 = ……
Verdeel in kleinere stukjes
20 x 5 = 100 3 x 5 = 15
Tel de uitkomsten van beide stukjes bij elkaar op
100 + 15 = 115
Aantal cijfers na de komma
Bij het rekenen met kleine getallen in een wiskundige vergelijking die moet worden gedeeld, kan het makkelijker zijn om het aantal cijfers na de komma te verminderen. Voorbeeld: 0,0003 ÷ 0,0006
Als je de komma in beide getallen verschuift, blijft de som hetzelfde. In de bovenstaande som is het mogelijk om de komma 4 keer naar rechts te verschuiven:
3 ÷ 6 = 0,5
Een exacte berekening is niet altijd nodig. Soms kom je er met analytisch redeneren.
Soms is het voldoende om bepaalde antwoordopties uit te sluiten door analytisch te redeneren, in plaats van de exacte oplossing te kennen.
Voorbeeld:
Alles naar één kant van het “=” teken verplaatsen
Als je gevraagd wordt naar het eerste of tweede getal voor het “=” teken, kan het handig zijn om de hele vergelijking naar één kant van het “=” teken te verplaatsen. De algemene regels voor delen en vermenigvuldigen in dit geval zijn als volgt:
X x Y=Z: 2 x 3 = 6,
Z ÷ X=Y: 6 / 2 = 3,
Z ÷ Y=X: 6 / 3 = 2
Een voorbeeld zou kunnen zijn:
2 x ….. = 6
6 ÷ 2 = 3
De algemene regels voor optellen en aftrekken in dit geval zijn als volgt:
X+Y=Z: 2+3=5
Z-X=Y: 5-2=3
Z-Y=X: 5-3=2
Voorbeeld:
5 – … = 3
5 – 3 = 2
Min en Min is Plus
- – is hetzelfde als –
Voorbeeld:
5 +- 3 = 2
5 – 3 = 2 –
- – is hetzelfde als +
Voorbeeld:
5 – - 3 = 8
5 + 3 = 8
Delen en Vermenigvuldigen met negatieve getallen
Vergeet het volgende niet:
positief x positief = positief, positief ÷ positief = positief
positief x negatief = negatief, positief ÷ negatief = negatief
negatief x positief = negatief, negatief ÷ negatief = negatief
negatief x negatief = positief, negatief ÷ negatief = positief
Breuken omzetten naar getallen
Een breuk kan worden omgezet naar een getal door de breuk als een deling uit te voeren.
Voorbeeld:
2/5 2 ÷ 5 = 0,4
Breuken gelijkmaken
Soms kan het handig zijn om breuken gelijk te maken. Je moet een getal vinden dat bij beide noemers past. De teller moet worden vermenigvuldigd met het aantal keren dat de noemer in het nieuwe geschikte getal past.
Voorbeeld:
2/5 + 3/10
2/5 = 4/10
4/10 + 3/10 = 7/10
